|
DECEMBER 2025
|
Monique Leferink op Reinink
Goedele Firlefyn
Marc Serruys
Ariane Vergult
Ilse Van Eepoel
Peter Gielissen
Nanny Luysterburg
Britt van Baaren
Goedele Horemans
Thomas Eyskens
Elisabeth Elegeert
Barbara De Munnynck |
Monique Leferink op Reinink
Tijdelijk verblijf
aan de rand
van het emaillen dienblad
waar de zee overgaat
in een vlakte van broodkruimels
sluit zij haar ogen
hoort de gestage trom
een namiddag
waarop mensen zich haastig plooien
zon schittert tot het gewicht van schaduw
trekt aan de gordijnen
vingers op haar hart
onder de lichte krassen op het icoon
tas naast stoel
wind over de volkeren
***
Ogen dicht
Tweeoogje kijkt naar de zilveren boom met gouden appels
Tweeoogje schenkt langzaam water in een kopje
Tweeoogje verbergt zich voor de man
baant zich een weg door de kruipruimte
de paarse zon eet witte vlinders
je kan gedachten wisselen, goden aanroepen
de vlammen doven in de kuil van je buik
hoe spel je angst en wat overblijft
het holle grauw, langs de jaren tasten
zodra een nachtzwaluw de ogen sluit wordt zij onzichtbaar
voor het blauw van de verte
|
Goedele Firlefyn
Saudade
Ik sta aan het roer,
wil een horizon of twee achter me laten
maar cirkel rond dat ene besef:
je kleeft aan me als een magneet
Mijn kompas zoekt naar familiebanden
die niet stranden, heeft heimwee
naar een thuis die ik niet ken
Vroeger schuilde ik meermaals voor je stormen,
nu maakt ook de windstilte me bang
Je bent het spookschip in mijn kielzog
Ik strijk de vlag,
vouw mezelf zo klein mogelijk op
Mijn flessenpost verzend ik niet
|
Marc Serruys
break up
uitgesproken handen in het zand.
haar rechter mijn linker.
zoals krabben zijwaarts zoeken
zo scharen wij uit elkaar
is ons wezen nog te repareren? vraagt zij
is er een raderwerk dat moet worden bijgesteld?
je haalt me in, laat me achter
worden we ooit gelijktijdig wijzer?
zijn er nog klokkenmakers?
wat doen zij met al hun tijd?
alles kan en alles mag verloren gaan
ook liggen is een vorm van opstaan zegt zij,
recht zij zich blootsvoets naast de slippers,
ik moet ze niet, niet weer in deze staan
ik wil als nieuwe schoenen liggen naast mezelf,
gepaard, wie ik was en wie ik wil vergeten,
wachten onder fluisterpapier tot iemand
het deksel tilt, mijn zijde openvouwt,
mij passend vindt, de eerste stappen zet
|
Ariane Vergult
zonder adem een kind
in een kamer wit van schaamte
komt een kind op aarde,
haveloos in haar metier
buigt de vroedvrouw (het hoofd)
wikkelt het kind zonder adem
in een zacht deken tot geschenk
vrouwen bedekken gezichten met as,
schuren sintels over hun slapen,
vloeken melkwitte borsten ten hemel,
trekken elkanders glanzende haren uit,
rijten de rite van de heilige moeder open
de vrouw met het kind zonder adem
ontvangt een foto, een voetafdruk, tranquilizers,
glaciale bekkens om tijdloos te schuilen
buiten in de tuin joelen kinderen
(voor mijn kleindochter Hannane: ° en + 3 mei 2005)
***
opgebaard
met honderd jaar eenzaamheid onder zijn kin geschoven,
stopt zijn mondwijd gapen,
ik luister naar het droge scheurlied van zijn vel
bij het luchten van de pacemaker,
ovenklaar nu
ga ik met de kam door zijn uitgedund haar,
verleg een ijzerdraad in zijn baard,
trek nog verse sokken over zijn voeten
met verstorven elastiek rondom,
bij het paarse hoopje op de splitsing van zijn romp
stop ik het soppen: het kruis waaruit ik ontstond
***
transit
ze wil de chaise longue voor zijn lijf zijn,
zijn diepe afdruk blijven voelen
nu hij de deur dicht trekt
en hij vuur vat in het heiligbeen
van een jonge vrouw
zal ze haar liefde van lange jaren
aanrekenen noch aftrekken:
haar overvalt een late genade, een maximale kans
ze zit thuis
op het kruispunt tussen wereldhoer en non
met de maansknopen uit hun horoscoop
op haar schoot: nu niet manken,
netjes vloeien uit zijn tijd,
plaats maken
|
Ilse Van Eepoel
SPRING
Het is de dwang van de duikplank, het lokkende water
het onbedwingbare dier in je hersenpan
het wiebelen op de rand
Het is de waanzin, die venijnige spier
die de handen perst tot kleiner gebed
het is de knik in de knieën
Het is het failliet van het kind dat
de armen spreidde, geloofde in de sprong
genoot van het diep
Sla geen kruis maar sidder parmantig
strek de benen, versoepel je long
dans in de vlucht
met snot op de tong
***
STAND UP
Op de terp van de onmacht regeren de blinden
ons toneel is te klein en de zee rukt op
ze openen de sluizen
Luchthartige goden begraven het licht en
achter het donker decor nergens coulissen
ze beschieten ons met scherp
Elke weerstand spoelt weg, kinderen verdrinken
geen warme syllabe verheft nog het spel
het is een open arena
Maar tussen het staal en de moordende regen
verstevigen we planken, maken de scène weer groot
wij ontsteken de lampen
De liefde treedt op, open en bloot
|
Peter Gielissen
De liefde van de sneeuwpop voor de kachel
Het is weer papadag hier in
de kinderslachterij,
goed hoorbaar aan
het einde van mijn doodlopende straat.
Het is een kopstation van onversneden en
gereformeerde gruwel die
me doet denken aan hoe ikzelf,
vulkanisch, en onder asregens van zwart geloven,
gestalte kreeg in het Pompeï van mijn jeugd.
Toch moet de agnost in mij,
gewichtheffer op een slap koord,
dwangmatig altijd nog op zoek
naar weer een nieuwe pitch voor een hiernamaals,
een milde deurman met de juiste sleutel
die helpt bij de ontsnapping;
een klein gebrek is geen bezwaar.
Het is de liefde van de sneeuwpop voor de kachel,
maar ook een vierde wand voor taal;
het is aanbidding van een keramische geliefde,
niet vatbaar voor mijn vuur.
En dus blijft over nu
de gesel van de leugens uit de houten broek;
ik ben voor altijd opgesloten in
een blikken trommel vol met zwarte vogels,
luchtdicht, en hevig heen en weer geschud
door een in ergernis ontstoken opperwezen.
***
Grijs linoleum
De wereld lijkt ons te verlaten
nu voor jou en mij de winter komt.
Zullen wij maar vluchten, liefste,
en samen reizen richting walvisbuik?
Ons ledikant kreunt immers van verlangen
naar ontwaken uit de naakte waarheid,
uit grote dromen en bedrog.
Ik wil met je op weg gaan naar
een zondagmorgen zonder einde of begin,
niet leven op de
lulligheid van grijs linoleum.
Wij gaan de vlekken wissen
van status en ambitie, en
ons alvast ontkleden voor
de terugkeer naar het paradijs.
Hand in hand, en niet langer
boa van ons eigen leven zijn.
|
Nanny Luysterburg
Onder tafel
I
Mijn buurmeisje zegt dat als het onweert
hun hele gezin onder tafel schuilt.
Ik begrijp niet waarom maar
het klinkt geweldig.
Als ik het thuis vertel
lachen mijn ouders en broers om de buren.
Lach ik teleurgesteld mee
verlangend naar samen onder tafel,
wij van ruggen recht
en altijd bang.
II
Nog beter dan samen
is alleen onder de eettafel zitten.
Honden weten dat al lang.
Ik waan me ongezien omringd
door houten poten en anonieme benen,
raad van wie de schoen die mij trapt.
Boven de tafelbladhemel
tikken pionnen, rommelt het
dobbelstenen, dondert
gevloek en gejuich.
Ik blink uit in zwijgen
rond bedtijd, beoefen dagelijks
onzichtbaarheid zodat hun bliksem
mij niet vinden zal.
***
I.M. Fatima Hassouna
(fotojournalist, gedood op 16/4/2025 in Gaza, 25 jaar)
Jij schoot de oorlog. Beelden van straten,
aan weerszijden huizen in puin. Daartussen
stroomt iedereen weg naar waarheen.
Een meisje met een roze rugzak kijkt om.
‘Zijn wij geen mensen, net als jullie?’
Een gezin kampeert bij het skelet
van hun flat. Kinderen spelen
in ruïnes van hun toekomst
als bloemen in de nacht,
hun lach die van jouw foto’s knalt.
Dromend van een normaal leven
stelde je je lens scherp en schreef:
‘Als ik sterf wil ik een luide dood’.
Eén die nog lang resoneert
in de leegte die volgt op de klap.
|
Britt van Baaren
Waarom je niet meer te redden bent
omdat je verminkt door de winkelstraat wandelt, nergens bloemen ziet
het fruit niet plukt, niet tot vlammen ontspringt, alles in de hens zet
woede is een gevoel voor geprivilegieerden
jij focust alleen nog op lichaamstemperatuur behouden
omdat de eeuwigheid langer duurt dan dat je voor mogelijk hebt gehouden
(dat is naïef van je)
omdat je longen moeite hebben met het volgen van fysiek protocol
je wimpers zijn vliegenmeppers geworden, voor dagen dat je je bed niet uitkomt
de dagen dat je niet durft te douchen, laat je als een stuifzwam sporen los
je zweet slaat groen uit, hyperventileren smeert de keel als zandpapier
omdat je als opgejaagd wild moet kunnen snerpen
je schril maar in topvorm bent
bevries je in de koplichten, heb je toch
een exitplan
|
Goedele Horemans
Ik is een wij
In mij is een meisje verloren gelopen,
heeft een vrouw haar liefdes verspeeld.
De moeder veegt haar principes
met stoffer en blik op een hoop.
Wat ze overhoudt: haar best gedaan,
maar daar hebben kinderen geen boodschap aan
Betrap me, zeg me waar ik mij verloochen
in het spoor van mijn zusters.
Zij vertrokken maar lieten in mij
hun postadres. Ik mag hun brieven openen.
In elk testament verwijzen we naar
dochters als het volgende hoofdstuk.
Wij trekken een lijn met bloed
doorheen generaties. Reiken elkaar
de estafettestok van vruchtbaarheid.
Hebben lief, bedriegen en worden bedrogen.
In elk meisje geven we het verlangen door:
ongeknakt te mogen openbloeien.
***
Kijken
Het is geen staren. Ik adem hem in.
Zijn omgeving, hoe hij daarin,
wat van hem uitgaat. Mijn blik is vluchtig
als in toevallig maar mijn aandacht is een havik.
Ik lees wat zijn kleding afficheert.
Ik voel zijn gemoed in flitsen,
hoe rustig zijn handen,
hoe recht zijn houding,
de uitdrukking op zijn gezicht.
Of hij let op mensen of dingen,
kijkt hij naar binnen of naar buiten?
Ik beluister zijn stem, de toon
en zeker ook wat hij zegt.
Er is zoveel te ontdekken,
zoveel om van te houden ook.
Voor even, voor de tijd van een tramrit,
voel ik hem aan.
|
Thomas Eyskens
SCHEMERZONE
Voor hem speelt het echte spel zich niet af
binnen de witte lijnen, maar in een schemerzone
waarin wij ons met z’n allen terugtrekken
als op een eiland met slechts één zonnestraal.
We volgen schaamteloos zijn verlichte script
dat ons een zoektocht voorschrijft, een naadloos
gemonteerde odyssee in feilloos zwart-wit,
waarin bonte personages de revue passeren:
een geslepen messenwerper, een ongeschminkte
travestiet, een dame met verbaasde ogen die
ronddwaalt als een bovenwaartse luchtspiegeling.
We kijken naar een waarheid zoals een oprechte
leugenaar die ziet, voor wie het momentum altijd
al voorbij is als hij zijn verhaal heeft vastgelegd.
|
Elisabeth Elegeert
Wat belooft de zee?
Dat de vloed zal komen.
Ik hou de zee altijd in de gaten.
Er zijn geen dode hoeken als je naar de zee kijkt.
Zelfs waar het water niet beweegt, gluipen er golven.
Ze hebben een gladde schil voor ze verdwijnen.
We praten zelden over het komen en gaan van water.
Dat zouden we vaker moeten doen.
De golven van 3 augustus volgen elkaar logisch op.
Ik stel me voor dat mijn adem een golf is.
Een zachte, inwendige cartografie
van een waterstand.
Die stijgt tot in mijn ooghoeken.
En op mijn hand proef ik weer
wat ik als kind al wist: oog in oog staan we
één onderlinge zee
waaruit niemand ontsnapt.
|
Barbara De Munnynck
Circuspaar
avond na avond snijd
ik een plakje van mezelf
het is geen verdwijntruc
ik verschijn naar jouw beeld
ik versta de kunst om
al wat niet in je kraam past
van me af te werpen
als was het een mantel
met halfnaakt lichaam
lanceer ik je dromen
met kleine bewegingen
hou ik ze hoog in de lucht
je zoekt het leven in de nok
mijn lichaam in de kist
maar ik schaaf plakjes
niemand snijdt mij doormidden
en met ogen als brandende hoepels
bewaar ik het geheim in onze tent
|
|