NOVEMBER 2026

Taco van Peijpe
Mascha Boeser
Lut Van Eenaeme
Thomas Eyskens
Nellie Meijnikman
Mirjam den Broeder
Karlijn Van Bree
Manu Gabriëls
Hedianne Bosch
Greet Verstraete

Taco van Peijpe

MUNTENKABINET

zilverstukken onder glas
gezonken in de tijd
verhalen op de bodem van de vijver

balans van handelingen
glanzend in de handen van
de ambachtsman de handelaar de dief

begeerd gestolen of vergaard
weggelegd en opgespaard als losgeld
voor een droom

tekens uit verloren tijd
door warme handen aangeraakt
gestempeld met verdwenen leven

opgegooid op hoop van zegen
als wisselgeld voor kantelende
kansen van het lot

tenslotte neergevallen en bewaard
als erepenning voor
onze onbeholpen soort

***

VLUCHT

gesloten koffers weet ik op zolder
daar bewaar ik mijn verleden
als ik wegga blijft het achter
sleutels zwijgen aan een spijker

een leuning neemt mij bij de hand
en leidt me naar beneden
in de gang wacht aarzeling
ben ik alles wel vergeten

de deur zit vast ik neem het raam
klim ongezien naar buiten

pasgewassen waait de dag
de vensters zijn nog donker
maar lichter laait de lucht
weerspiegeld in het zolderraam

kom ik ooit nog hier terug of
sla ik op de vlucht

***

REISGEZEL

laat mij lopen in gedachten
jouw gedachten als het mag
ik ben een wandelaar als jij
en lees de bloemen die jij las

ik volg jouw sporen langs het pad
van bitterblad naar ogentroost
hersenspinsels in de struiken
muizenissen in het gras

je miste iets en wist het niet
zocht alleen maar als je wachtte
zou je iemand horen lopen
in stilte die je achterliet

 

Mascha Boeser

Rand

Mijn geest is nooit zijn eigen plek
Hoe hard ik ook denk
ik denk de hel nooit in een hemel

Op de rand van de schemer
dwaal ik - mijn bloed
beeft de kou op afstand

De horizon dwingt mijn schim
in spleten van rots
schaduwhanden aan de richel

Mijn huid aanbidt de lucht
de haartjes strak opgeheven
naar het naakte nachtruim

halleluja

Lut Van Eenaeme

CLOSE TO HIM

Hij hield van gedempt licht, van
reeën en verbinding tussen bomen.

Ik van woorden als dunne twijgen,
witte veren, broodjes voor in de oven
en het gedicht dat nog zijn tijd moest
krijgen, omdat het geen pointe had.

Hij zei dat hij vannacht twee wolven
had gespot en dat roodkapje weer een
hype was in de stad, veegde het venster
schoon om naar pioenrozen
te kijken naast de blauwe monnikskap.

Ik dacht aan woorden met een dak,
vuur aanmaken en samen dromen
in de stilte van de slaap, waar
anders nooit veel tijd voor was.

***

IN WOELIG WATER

Zo begint het, een haar in de boter.
Withete woorden rennen door het huis.

Zij ontwijkt zijn blik, hij zet oorkleppen op.
Tot de kokende ketel de stoom heeft verwerkt.

Een geslapen nacht brengt moed om te spreken.
Verwijten uit netten te halen.

Zij opent voorzichtig elk raam.
Hij mengt zijn woorden met verse honing.

***

UITDAGINGEN

Die ene mug ontwijken in de nacht.
Dromen vasthouden tot aan het ontbijt.
Geluid maken met je wimpers.
Je schaamhaar tellen.
Uit de smalle hals van frustratie klimmen.
Je slappe lach verdringen tijdens een serieus debat.
Ukelele spelen zonder snaren.
Dwaze gedachten in de ring gooien.
Rillend plantgoed bekijken op het veld
De speld van eenvoud uit het hooi halen.
Luisteren naar het hart van een bij.

Thomas Eyskens

NAGELSCHAAR

Zo kort als de poten van een pissebed
die onder een cache-pot vandaan gekropen komt,
of het leven van een haft, verscholen in een kast.

Zo kort als het gras van Wimbledon, de bloeitijd
van een passiebloem, de haren van een naaktkat
of de slaap van een rechtopstaand bruingevlekt paard.

Zo kort als winters daglicht op de Noordpool,
de omtrek van een punt, het geslacht van de eunuch
uit de Perzische brieven van baron van Montesquieu.

Zo kort als Lennons laatste adem in New York,
een zestiende noot uit Bechet z’n klarinet geblazen
of Bardots zwarte minirok in de film Naar hartenlust.

Zo kort heb ik vanmorgen mijn nagels geknipt.

 

Nellie Meijnikman

wat achterblijft

de droesem in een wijnglas
folie na het eten van de vis

de schil op je bord
als een laatste woord

in je lijf reizen vreemdelingen
cellen van een kind in een moeder

cellen van een moeder in een kind
ook grootmoeders vinden onderdak

geen droombeeld of illusie
geen mythisch wezen

deze reizigers blijven tot het eind
als de driekleur van een lapjeskat

 

Mirjam den Broeder

stadsmest

de avond spant netten
over de daken van de stad

tussen modder en beton
buigen grauwe ruggen
rapen de brokstukken
van de dag

in de plooien van de steegjes
koekt het zweet van gisteren aan

de laatste tram schraapt zijn tanden
aan een bedding van gedoofd ijzer

 

Karlijn Van Bree

Purpura

Fenicië gaf het zijn naam,
de feniks zijn veren.
Hellas doopte er de zeeën in
en de dood van zijn helden.
Rome legde het één dag
om de schouders van triomf.
Nero wilde het voor zich alleen
en liet een vrouw ontmantelen
terwijl hij zong.

Ik zou het niemand ontzeggen.
Laat Lydia haar stoffen verkopen
aan de rivier bij Philippi,
laat bisschoppen hun violet dragen
door advent en vasten,
kardinalen hun kermes,
laat de stad zich hullen
in orseille en mauve,
in bosbes en amethist.

Tussen al die schemerkleuren
zou ik jou feilloos herkennen,
zoals Eurykleia haar koning
na twintig jaar zwerven.

Want ik heb je gezocht:
twaalfduizend schelpen,
één voor één
uit de branding geraapt
tot mijn vingers blauw werden,
om jou te strikken
met een vlinderdas
in Tyrisch purper,
onmiskenbaar,
donker in de hand,
scharlaken bij dageraad,

 

Manu Gabriëls

voorbij

spijker je gedachten maar, volg de motoriek van de slaaf
mijn knieën en ellenbogen gevoegd met doodmortel
waar slijpen ze dan de adem in?

waarom zou ik me nog achter slot duwen
opstaan waar het brein wijzers volgt
alleen het bed waterpas staat

ik huis in de schemering en wat overblijft
een architectuur van onverschilligheid
voor wat voorbij loopt

***

de fles der poëzie

luister hoe hij als een vlasvink zingt
kijk hoe dorstig hij zijn gedichten in een fles stopt
met een etiket dat de wijn toebehoorde
ze blazen leven in zijn aanzoek 

hoog en laag in het huwelijk
na een reis op zee en in de lucht weer op aarde
zijn pennenstreek onttrokken
tot de sleur onder de kurkstop overblijft

nu paart zij inhoud aan wijn
zij drinkt, op haar geliefde

sprookjeslink: De fleshals van Hans Christian Andersen  

 

Hedianne Bosch

keuzestress

ik heb moeite kleur te bekennen,
mijn muren zijn geschikt als projectiescherm
maar de film komt niet op gang,
de spelers blijven schermutselen.

ik wandel tussen kledingrekken,
voor ieder wat wils, maar wie is ‘ieder’?
onverrichterzake blijf ik staan
in het midden van het keuzebord,
rechts en links zijn mij onbekend,
de vraag is: wie ben ik zonder jas?

ik wik en weeg tot minder dan een ons,
de verkoopster komt aan met de juiste maat.
ik ben een paspop, je ziet de spelden niet,
het onderhuids kriebelen. de verkoopster zegt:
het is een leuk setje, het staat u goed,
ze draait een bandje af in haar mond.

in de supermarkt hetzelfde verhaal,
wie ben ik om te kiezen tussen broccoli en bloemkool?
er zijn alleen al 25 soorten pindakaas, of meer,
de maten nog niet meegerekend,
ik kan mezelf niet passend maken, mijn lege tas
weegt zwaar van wat ik achterlaat, ik voel het
zwichten, het ploffen inwaarts, het verlangen
naar enkelvouden, naar een zitvlak.

alles afwegende zit er niets anders op
dan met de kiezen op elkaar
een blind date te boeken,
misschien is er een match,
en kiezen wij elkaar.

***

binnenkamers

de deuren stapelen zich op, het uitzicht is verlopen,
in mijn hoofd is alles gisteren mogelijk, mij wordt
aangeraden iets met knoppen in een schakelkast te
doen zodat er kamers opengaan zonder almaar aan
sleutels te hoeven draaien

het is lastig als je wordt opslokt door drempelvrees
en het niet lukt je rookgordijnen op te trekken,
aan je gevel prijkt een verwaaid uithangbord:
gesloten voor publiek

binnenkamers droom ik regelmatig van meer dagen
in mijn dag, met minder hangwoorden en meer
klinkers, die tastbaar tikken als naaldhakken
op een stenen vloer, in advertentietaal schrijf ik
mij een toekomst toe

gezocht: een huis met 100 kamers

ik zoek een turn key woning voor tijdelijk verblijf
met ramen die uitzien op binnenwerelden
zodat er ruimte ontstaat
en ik mijzelf zie schaterlachen om klotsend water,
buitelen, vallen,
ik mijzelf zie zonder spiegel

 

Greet Verstraete

Epiloog


        Er zijn de kraaien die achterwaarts vliegen.
                  Hun houten klanken die haperen aan het stoppelveld. 
        Hun eindeloos geredeneer. 
 
                  Er zijn de kruinen die de wind betasten.  
                  Een striem regen, straks nog één en nog.
                  Een bleke hemel die vergeeft. 

                  Er is het bot van mijn knie dat kraakt, de kille geur 
                  van onze verre levens door vele tuinen.
                  Een drukte om niets die overwaait. 

                  Er is de schaduw van gisteren die op de witte 
                  muur vervaagt. Het natte asfalt onder onze voeten
                  waaruit klapwiekend een dove duif ontsnapt.